ST-MICHIEL

(Louis Demazière 1886-1888 / Paul Anneessens 1953-1955 / Pels & Van Leeuwen 1999-2000)

In 1504 maken de historische bronnen voor het eerst gewag van een orgel in de St.-Michielskerk. De kerk, die in de jaren 1497-1504 in laatgotische stijl heropgebouwd was, beschikt dan zelfs over twee instrumenten: een gewoon orgel en den besten orgel. Ongetwijfeld moet er zich ook vóór die tijd al een orgel in de kerk bevonden hebben. Bij de Beeldenstorm van 1566 wordt het 'beste' orgel gedemonteerd en elders in veiligheid gebracht, zodat het van de verwoestingen gespaard blijft. Over de orgels van vóór de Franse Revolutie is de informatie uiterst schaars. Geeraert Medaert, die zich in 1607 als orgelbouwer in Rumbeke (en kort daarna in Roeselare) gevestigd had, wordt in 1641 costere ende sanghmeester van de St.-Michielskerk. Misschien herstelt hij het orgel of bouwt hij een nieuw. Van de 18de eeuw dateren diverse herstellingswerken: door de Rijselse orgelbouwer Toussaint Durant in 1729, door de Brugse orgelbouwer Dominicus Berger (1747-1797) in 1781 en door de Roeselaarse smid Pieter De Bruyne in 1788. In de 2de helft van de 18de eeuw wordt het orgel vanuit het zijkoor naar een doksaal achteraan in de kerk verplaatst.

Van 1851 tot 1854 wordt de St.-Michielskerk - dan nog de enige parochiekerk in de stad - aanzienlijk vergroot om genoeg plaats te bieden voor de groeiende Roeselaarse bevolking. In 1853 herstelt een zekere Huyghebaert meteen het orgel. Orgelbouwer Frans Ureel (1820-1907) uit Krombeke zorgt voor een grondig nazicht in 1862 en zijn collega Philippe Forrest (1832-1912), die dan nog in Geluveld gevestigd is, herhaalt dit werk in 1865. Forrest zorgt in de volgende jaren voor diverse herstellingen aan het instrument. Wanneer in 1868 het doksaal uitgebreid wordt om plaats te bieden aan een orkest, verplaatst hij het orgel en richt het klavier en de blaasbalgen anders. In 1869 voegt Forrest op verzoek van organist Frans De Vriendt een pedaal van twee octaven aan het instrument toe. Het orgel wordt geschilderd in 1871, maar intussen is voldoende gebleken dat het niet langer voldoet. Door de uitbreiding van de kerk in de jaren 1850 is het te klein geworden en bovendien blijken reparaties ontoereikend en te duur te zijn. Daarom dringt de bouw van een volledig nieuw instrument zich op.

Op 7 juni 1885 beslist de kerkraad om een nieuw orgel te plaatsen. Nadat de nodige toelatingen verworven zijn, krijgt de Roeselaarse orgelbouwer Louis Demazière (1833-1899) op 19 juli 1886 de uitvoering van dit werk toegewezen. Hij is de gewezen meestergast van Philippe Forrest, die sinds 1874 in Roeselare verbleef. Merkwaardig wordt niet de nochtans meer gerenommeerde Forrest met deze opdracht belast. Misschien speelde het een rol dat Demazière in 1875 gehuwd was met Rosalia Christiaen, weduwe sinds 1873 en moeder van de latere stadsbeiaardier Ildefons Seghers. In 1888 zou de dan twintigjarige Seghers het orgel overigens mee inspelen.

Demazière plaatst het instrument in de zuidelijke kruisbeuk, waar bouwmeester Vanassche uit Gent rond 1880 een nieuw doksaal gebouwd heeft. De inspeling vindt plaats op 3 mei 1888 door Frans De Vriendt, organist van de St.-Michielskerk en stadsbeiaardier, Remi Ghesquière, organist van de O.-L.-Vrouwkerk in Kortrijk, Ildefons Seghers, de latere stadsbeiaardier van Roeselare, en August Wiegand, organist van de St.-Petrus-en-Pauluskerk in Oostende.

Het nieuwe orgel bevat ongeveer 2600 pijpen, opgesteld in een neogotische kast met snijwerk van Clemens Carbon (Gits). Volgens de mondelinge overlevering zou een deel van de pijpen afkomstig zijn uit Parijs, in die tijd met Aristide Cavaillé-Coll het mekka van de orgelbouw. In die jaren is het instrument het grootste van het land, na dit van de kathedraal te Antwerpen. De klankrijkdom van het orgel wordt alom geprezen. Een zekere Vilain, die de prijs uitmuntendheid behaalde aan het Brusselse conservatorium, verklaart in 1890 na een grote muzikale uitvoering in de kerk dat er in Brussel niet één orgel bestaat, voorzien van zulke machtige en goede orgelspelen. Het originele instrument van Demazière beschikt over 43 registers, verdeeld over drie manualen en een pedaal.

Dispositie Demazière

Hoofdwerk 
01. Montre 16
 02. Bourdon 16 
03. Montre 8 
04. Bourdon 8 
05. Flûte Harmonique 8 
06. Viole de Gambe 8 
07. Grosnasard 5 1/3 
08. Prestant 4 
09. Flûte 4 
10. Grosse Tierce 3 1/5 
11. Doublette 2 
12. Larigot 1 1/3 
13. Cornet V 
14. Fourniture III 
15. Cymbale II 
16. Basson 16 
17. Trompette 8 
18. Clairon 4 / Clarinette 8
Positief
19. Bourdon 16
20. Bourdon 8
21. Principal 8
22. Gemshorn 8
23. Bourdon 4
24. Prestant 4
25. Nazard 2 2/3
26. Doublette 2
27. Tierce 1 3/5
28. Septième 1 1/7
29. Trompette Harmonique 8
Reciet
30. Nachthorn 8
31. Gambe 8
32. Salicional 8
33. Voix Céleste 8
34. Flûte Harmonique 4
35. Flageolet 2
36. Cor Anglais 8
37. Basson-Hautbois 8
38. Voix Humaine 8
Pedaal
39. Sousbasse 16
40. Flûte 16
41. Flûte 8
42. Violoncelle 8
43. Quinte 5 1/3

Tijdens de Eerste Wereldoorlog fungeert Roeselare als garnizoensstad en verzorgingscentrum in het hinterland van de Duitse frontlijn. Vanaf juli 1917 wordt de stad steeds intensiever beschoten door de Britten. Daarom acht het stadsbestuur het aangewezen om een aantal kunstschatten in veiligheid te brengen. Op 21 november 1917 wordt ook het orgel van de St.-Michielskerk verscheept naar Gent. Het wordt in 1919 naar Roeselare teruggebracht. Jules Anneessens (1876-1956) uit Menen stelt het instrument opnieuw op en het wordt ingespeeld op 25 mei 1920. Het orgel heeft regelmatig herstellingen nodig en de mechanische tractuur blijft zwaar om te bespelen. Daarom stelt Jules Anneessens in 1931 voor om het instrument een pneumatische, gemakkelijker bespeelbare tractuur te geven. Het blijft echter bij plannen. Toch wordt in 1939 een tweedehandse elektrische ventilator geplaatst.

Op 25 mei 1940, bij het begin van de Tweede Wereldoorlog, slaat een vliegerbom in nabij de zuidelijke kruisbeuk en beschadigt sterk de muren en het orgel. De oorlogsjaren laten geen restauratie toe. In 1947 lanceert Jules Anneessens opnieuw het voorstel om het orgel te pneumatiseren, maar het duurt tot 1953-1954 vóór de hoognodige herstelling plaatsvindt. Paul Anneessens (1917-1976) uit Menen, die intussen vader Jules heeft opgevolgd, bouwt het orgel om in vrije opstelling en met elektro-pneumatische aandrijving. Vooral het pedaal ondergaat een gevoelige uitbreiding, terwijl de windladen en diverse registers van het positief en het reciet omgewisseld worden. Enkele spelen uit 1888 worden verwijderd. Alle registernamen worden vernederlandst. Vicaris-generaal Adolf Quaegebeur, voormalig deken van Roeselare, wijdt het instrument in op 2 oktober 1955 en Flor Peeters geeft een orgelrecital. Het vernieuwde orgel telt 56 registers (3082 pijpen).

Dispositie Anneessens

Hoofdwerk
01. Principaal 16
02. Bourdon 16
03. Prestant 8
04. Roergedekt 8
05. Harmonische Fluit 8
06. Gamba 8
07. Prestant 4
08. Roerfluit 4
09. Kwint 2 2/3
10. Octaaf 2
11. Terts 1 3/5
12. Larigot 1 1/3
13. Cornet V
14. Scherp III
15. Cimbel III
16. Fagot 16
17. Trompet 8
18. Klaroen 4
Positief
19. Gedekt 8
20. Gemshoorn 8
21. Prestant 4
22. Roerfluit 4
23. Kwint 2 2/3
24. Veldfluit 2
25. Terts 1 3/5
26. Hoogkwint 1 1/3
27. Cimbel III
28. Dulciaan 8
Reciet
29. Gedekt 16
30. Principaal 8
31. Roergedekt 8
32. Wilgenpijp 8
33. Vox Celesta 8
34. Prestant 4
35. Dwarsfluit 4
36. Nazaard 2 2/3
37. Octaaf 2
38. Mixtuur III-V
39. Harmonische Trompet 8
40. Fagothobo 8
41. Dulciaan-regaal 4
Pedaal
42. Majorbas 32
43. Prestantbas 16
44. Subbas 16
45. Echobas 16
46. Kwintbas 10 2/3
47. Octaafbas 8
48. Gedektbas 8
49. Zachtbas 8
50. Koraalbas 4
51. Fluitbas 4
52. Superoctaafbas 2
53. Ruispijp II
54. Bazuinbas 16
55. Trompetbas 8
56. Klaroenbas 4

Na zijn constructie ondergaat het Anneessens-orgel verschillende kleinere herstellingswerken en nazichtbeurten door de firma's Anneessens (Menen), Loncke (Esen), Bruggeman (Moeskroen) en Pels (Herselt). Vanaf de jaren tachtig blijkt steeds duidelijker dat de vrije opstelling niet langer voldoet. De orgelpijpen raken immers snel vervuild, zodat ze dof of zelfs helemaal niet meer klinken. Bovendien is de resonantie ongunstig: doordat de klank in alle richtingen vrijkomt, gaat er veel verloren en is er een gebrek aan bundeling. De enige manier om deze problemen op te lossen, is het orgel opnieuw in een kast te plaatsen. Het is een optie die ook met esthetische argumenten verdedigd kan worden. Daarnaast zijn de elektro-pneumatische tractuur en de windvoorziening aan een dringend nazicht toe. De lamentabele toestand in het algemeen is er de oorzaak van dat alleen een volledige re-assemblage het instrument in zijn oorspronkelijke glorie kan herstellen.

In de tweede helft van de jaren tachtig worden de eerste stappen gezet om de noodzakelijke vernieuwingen aan het orgel vaste vormen te geven. Bij een grondige inspectie door Johannes Klais Orgelbau (Bonn) in 1989 blijkt dat de windladen van de manualen en het grootste deel van de pijpen nog stammen uit 1888. Een restauratie die zoveel mogelijk het oorspronkelijke instrument van Demazière benadert, lijkt dus te verantwoorden. Één en ander resulteert op 2 mei 1991 in een eerste ontwerp voor de herbouw en de uitbreiding van het orgel.

Pas in 1996 krijgen deze plannen een (ditmaal definitief) vervolg. Het dossier uit 1991 wordt geactualiseerd en de uitvoering wordt toevertrouwd aan Pels & Van Leeuwen ('s Hertogenbosch). Deze Nederlandse orgelbouwer voert in 1999-2000 een grootscheepse restauratie uit. Het instrument wordt opnieuw in een orgelkast geplaatst. Voor dit meubel, dat negen meter hoog reikt, geldt het oorspronkelijke (maar nu verdwenen) exemplaar van Clemens Carbon als uitgangspunt. Daarnaast wordt gestreefd naar een herstelling en aanvulling van het 19de-eeuwse klankidioom. Diverse registers, die bij de transformatie door Anneessens aangepast werden aan de neobarokke smaak van die tijd, worden terug omgebouwd naar de neosymfonische toestand van Demazière. Het pedaal wordt gecompleteerd door de toevoeging van een Bombarde 32. Daarnaast wordt het orgel uitgerust met 64 computergestuurde Setzercombinaties, waarmee de organist zijn registraties kan voorbereiden. De registernamen worden consequent in het Frans overgezet, waar mogelijk met respect voor de geest van het Demazière-orgel. Op 24 juni 2000 speelt Eric Hallein, titulair organist van de St.-Michielskerk, het instrument in. Het gerestaureerde orgel telt 57 registers met zowat 3100 pijpen, verdeeld over drie manualen en een pedaal.

Dispositie Pels & Van Leeuwen

Grand Orgue
01. Montre 16
02. Bourdon 16
03. Montre 8
04. Bourdon 8
05. Flûte Harmonique 8
06. Viole de Gambe 8
07. Quinte 5 1/3
08. Prestant 4
09. Flûte 4
10. Tierce 3 1/5
11. Doublette 2
12. Larigot 1 1/3
13. Cornet V
14. Fourniture III
15. Cymbale III
16. Basson 16
17. Trompette 8
18. Clairon 4

Positif
19. Bourdon 8
20. Cor de Chamois 8
21. Prestant 4
22. Bourdon 4
23. Quinte 2 2/3
24. Flageolet 2
25. Tierce 1 3/5
26. Septième 1 1/7
27. Cymbale III

28. Cromorne 8

Récit
29. Bourdon 16
30. Principal 8
31. Cor de Nuit 8
32. Salicional 8
33. Voix Céleste 8
34. Prestant 4
35. Flûte Harmonique 4
36. Nasard 2 2/3
37. Doublette 2
38. Plein Jeu III-V
39. Trompette Harmonique 8
40. Basson-Hautbois 8

41. Voix Humaine 8

Pédale
42. Soubasse 32
43. Contrebasse 16
44. Soubasse 16
45. Bourdon 16
46. Quinte 10 2/3
47. Montre 8
48. Flûte 8
49. Bourdon 8
50. Prestant 4
51. Flûte 4
52. Doublette 2
53. Plein Jeu II
54. Bombarde 32
55. Bombarde 16
56. Trompette 8
57. Clairon 4

Koppels en speelhulpen
I + II
I + III
II + III
P + I
P + II
P + III
Subkoppel II + III 16'
Subkoppel III + III 16'
Superkoppel III + III
64 Setzercombinaties
Expression
Tremulant Récit